Gringa in de eeuwige lente

    Titel: Gringa in de eeuwige lente
    Ingestuurd door: Kathleen Dirken
    Resiverslag van Kathleen Dirken uit de archieven van vrijetijd.com

    Land(-en): Guatemala
    Laatst bewerkt: 04-08-2010, 17:57

    Verborgen in de mysterieuze jungles van de Petén in Guatemala ligt Tikal, het grootste Maya-complex. In het Caribische gedeelte wonen de Garifunas, een zwart volk dat lijkt weggeplukt uit een filmdecor, terwijl de stranden aan de Pacifische kust bedekt zijn met lavazand. Soms zie je er dolfijnen voorbijzwemmen. In het ietsjes frissere Occidente leven de Indigena’s in hun kleurrijke kleding. En dit allemaal tussen 32 vulkanen. Kortom, een land dat de nieuwsgierige ontdekkingsreiziger niet links kan laten liggen.

    Mysterie in Petén

    Tikal is het grootste Maya-complex van de hele Mayabeschaving, het is gewoon een must voor de Guatemala-reiziger. Nog nooit heb ik iets gezien dat mooier is dan de zonsopgang vanop de 64m hoge Tempel IV. Ik was dan ook al om 4.00u 's morgens op post. Na een vermoeiend tochtje en een zware klim, krijgt de hemel een mysterieuze gloed terwijl de toppen van TempelV, El Mundo Perdido en TempelII boven de jungle uitsteken. De zon komt op recht achter TempelV en daarna hult de jungle zich in een kleed van mist en mysterie. Tijd om op onderzoek te gaan, tenminste als het neusbeertje van onze proviand afblijft.
    Met mijn inlandse gids José verlaat ik de paadjes en trekken we de jungle in. De jungle heeft iets irreëel: metershoge bomen, lianen waarmee je Tarzan kan achternagaan, bomen die zich rond andere bomen of silhouetten nestelen, …De dieren die er leven zijn ook niet van de minste: de poema en jaguar, spin-en brulapen, papegaaien, toekans, rood-oogige boomkikker, slangen. Allemaal dragen ze bij tot de mystieke sfeer van de jungle. Terwijl ik al de dierengeluiden tot me laat doordringen, vertelt José over de traditionele klederdracht van de Maya’s. “De Maya’s droegen hoofdzakelijk witte gewaden. De klederdracht van de Indigena’s in het hoogland is dus zeker niet zoals men vaak laat uitschijnen de originele Mayaklederdracht.” Maar hoe is die zo bekende klederdracht dan wel tot stand gekomen? José verklaart zich nader: “Toen de Spaanse veroveraar Pedro de Alvarado hier rond 1523 aankwam, gaf hij aan elke gezaghebbende Spanjaard die mee was, de leiding over bepaalde families of dorpen. Om die van elkaar te kunnen onderscheiden gaven zij aan elke ‘clan’ een eigen kledingmotief. De kleding is trouwens zeer duur, maar van uitstekende kwaliteit.” Eén mysterie is er dus al opgelost van de ‘moderne’ Maya’s. “Zo zou ik ze nu ook niet echt noemen, Indigena of autochtoon is een respectvolle benaming voor deze mensen. Vele noemen hen hier Indio’s, maar dat is eigenlijk een scheldwoord.”


    Ondertussen zorgen de hitte en de hoge vochtigheidsgraad ervoor dat ik me te pletter zweet. Niet alleen de tocht, maar ook een beklimming eist al mijn kracht. Hoewel ik probeer alles op mijn gemak te doen, begint de grond toch even te draaien. Mijn hoge schoenen en lange katoenen broek zorgen ervoor dat de muggen en andere insecten me daar al niet kunnen steken. Want steken doen ze, hoeveel insectenverwerend middel er ook gespoten wordt.
    Voor de Maya’s vormden de fauna en flora de basis van hun leven. De jungle was voor hen de bron om te overleven. Hier vonden ze alle middelen om hun dagelijkse bestaan door te komen. De ruïnes zijn zo goed als dezelfde tempels als toen (bij restauraties zijn er uit noodzaak hier en daar dingen heropgebouwd), maar de jungle was toen nog zeker niet zo volgroeid. Het is een rare gedachte dat bomen de tempels zo hadden bekleed dat het net heuveltjes leken. Daarom dat het zo moeilijk is om nieuwe tempels te vinden. Nieuwe tempels en gebouwen zijn er nog zeker, maar het nodige geld ontbreekt om verder archeologisch onderzoek te doen. El Mundo Perdido (de verloren wereld) werd pas begin jaren ’90 ontdekt.
    Door de hele jungle hebben de Maya’s waterkanalen aangelegd en deze zijn nog steeds in originele staat. Hier en daar zit een put in de grond die diende als koelkast, inclusief schapjes en trapjes. Zelfs mijn gids is onder de indruk. José is de enige die zulke jungletochten onderneemt. Ik ben hem eeuwig dankbaar dat hij mij deze wondere wereld laat ontdekken.


    Relax in de Caraïben

    Vanuit Santa Elena rijd ik 6 uur richting Rio Dulce. In dit gebied groeien de ‘luminas’ of ‘dollarbiljettenbomen’. Van de stammen van deze bomen wordt namelijk het papier gemaakt voor s’werelds bekendste munt.
    Mijn bestemming is Puerto Barrios en vandaar vertrek ik naar Livingston. Livingston ligt in het Caribische gedeelte van het land. Witte stranden met palmbomen, watervalletjes (als ze niet droog staan tenminste) en een heel ander soort mensen. In Livingston lijk ik in een filmdecor te zijn terechtgekomen. Iedereen loopt rustig in de Caribische sfeer, zwarte vrouwen waggelen met hun strooien hoedjes door de straatjes en slaan een babbeltje in het Garifuna. De Garifuna’s stammen af van inwoners van het eiland St.Vincent vermengd met ontsnapte negerslaven die uiteindelijk na een opstand tegen de Engelsen in Belize en Honduras terechtkwamen. Van daaruit is het niet zo ver naar Livingston, aangezien Belize lange tijd deel uitmaakte van Guatemala.

    Kleuren in het Hoogland

    Ik rijd naar Guate (de hoofdstad Guatemala) om van daaruit naar Occidente (het Hoogland) te reizen. Van de stad naar het Hoogland, het brengt me in een heel andere wereld. In Santa Cruz del Quiché (Quiché) is het de week van 18 augustus een hele week feest met marktjes, optredens en kermis en dit met slechts een zelden verloren gelopen toerist in zicht.
    Voor het inkopen van souvenirs is er natuurlijk geen betere plaats dan het toeristenmekka Chichicastenango (Chichi). De prijzen zijn hier veel voordeliger dan in Panajachel of Antigua. De marktdagen zijn donderdag en zondag.
    Op zondag wandel ik naar Pascual Abaj Dit is in feite niets anders dan een steen als er geen offer plaatsvindt. Pascual Abaj is namelijk een Mayaofferplaats waar de plaatselijke medicijnenman een kip komt offeren voor de gezondheid van zijn patiënten en kaarsen laat branden. Elke kleur van de kaars heeft een andere betekenis. Ook families komen hier een offer brengen voor hun dochter die gaat trouwen. Het heeft iets rustgevends.
    In het Hoogland lopen de Indigena’s rond in hun mooie klederdracht. De ideale plaats om foto’s te nemen. Spijtig dat ik de geur niet kan meenemen. Hoe mooier de kleren, hoe sterker de onaangename geur. Logisch eigenlijk, want deze mensen eten veel look, bruine bonen, wassen zich niet echt veel en dragen zowat altijd dezelfde kleren. Vooral in de bussen is dit soms ondraaglijk, zeker als er aan de andere kant nog eens een landbouwer met zijn machette (kapmes) komt zitten die extra gebaad is in het zweet.
    Indigena’s kom je vooral tegen in het hoogland en in de hoofdstad, dus zeker niet over het hele land zoals reisboeken wel eens doen uitschijnen.


    Dolfijnen aan de Pacifische kust

    Mijn eerste stop naar de Pacifische kust maak ik in Reu (Retalhuleu). Volgens reisboeken is hier weinig tot niets te beleven. Vergeet het! Er is een grote markt waar je voor een redelijke prijs prachtige kwaliteits(!)-hangmatten kan kopen. Slapen doe ik in het hotel aan het park waar een marimbaconcert aan de gang is. De marimba is het nationale instrument van Guatemala. Het lijkt op een grote houten xylofoon die met meerdere personen tegelijk moet bespeeld worden. De vrolijke maar toch rustgevende marimbaklanken wiegen me in slaap. Zalig gewoon.
    Een plaatselijke tandarts nodigt me uit in zijn praktijk. Hij heeft twee spreekkamers: één voor de ‘gewone arme’ mensen en één voor de rijken. De afgebakende klassecultuur in dit land blijft me verbazen. “Ik doe ook operaties aan mond en kaakbeen” vertelt hij terwijl hij dia’s laat zien van enkele ‘zware’ gevallen die hij heeft geopereerd. “Hier zie je hoe deze jongeman zijn kaakbenen en kin gebroken werden tijdens een gevecht. Ik ben hier de enige tandarts en moet dus een beetje van alles wat kunnen. Ik vind het een spijtige zaak dat ik een aparte kamer heb voor de gewone mensen, maar zij kunnen me vaak niet betalen. Vandaar.”
    Met de taxi ga ik naar Xochomil, een zwemparadijs waar geen toerist weet van heeft. In Xochomil komen voornamenlijk scholen op uitstap. Omdat vele Guatemalteken niet kunnen zwemmen is er de Mayageschiedenis uitgebeeld. Er is een kunstmatige rivier waar de stroom je op een band meedrijft, een golfbad en vele schuifaffen. Spanning en vertier verzekerd. Xochomil dankt zijn naam aan de ‘xocomil’, een zuidoosten wind die s’ namiddags opduikt. In het regenseizoen is er in de namiddag een grote kans op een tropische regenbui, geheel passend in de sfeer. Dit is een goed moment om naar Champerico te vertrekken. De kusten aan de Pacifische oceaan hebben allemaal zwart lavazand en de golven zijn er sterk en hoog, ideaal voor surfers, maar de zee heeft ook een verraderlijke stroming.
    Terwijl ik aan het strand geniet van de rust en de zalige warmte zie ik in de verte een familie dolfijnen opduiken. Ik tel er minstens 8. Ik heb geen idee waar de stroom hen naartoe brengt, maar ik weet in ieder geval zeker dat ik hier snel weer terugkom.